Spierballentaal leidt bij de drugsbestrijding alleen tot verharding van de misdaad
Na de moord op Peter R. de Vries klinkt weer de roep om harder optreden tegen de drugsmaffia en een repressiever beleid. Maar een eerbetoon aan de misdaadverslaggever zouden legalisering, regulering en gezondheidsmaatregelen zijn, vindt strafrechtadvocaat Willem Backer.
Drugshandel is de motor van de georganiseerde misdaad in Nederland en cocaïne de brandstof die deze motor laat draaien. Over deze waarheid doet niemand nog geheimzinnig. Sterker: politici kunnen de ernst van de situatie niet vaak genoeg benadrukken. De onmacht van onze drugsbestrijding wordt keer op keer aangegrepen voor een nóg repressiever geluid. De aanslag op Peter R. de Vries lijkt haast de ideale aanleiding om dit geluid kracht bij te zetten. Hoe paradoxaal is het feit dat Peter R. juist uitermate kritisch was op deze incidentenpolitiek en geregeld wees op het stuitende gebrek aan realisme in ons nationale drugsbeleid.
Een andere bekende reflex is het aanzwengelen van de discussie over de moraliteit van drugsgebruik. Zou een gezonde dosis snuifschaamte helpen? Volgens mij leidt het af van waar het debat eigenlijk over zou moeten gaan: regulering van de drugsmarkt in combinatie met gerichte voorlichting en verslavingszorg. Voorlichting is, zo verwacht ik, vele malen doeltreffender dan een eenzijdig moreel appel dat luidt: gij zult geen drugs gebruiken.
War-on-drugsretoriek
Er is namelijk één waarheid die politici liever vermijden: in een vrije westerse samenleving zullen mensen er voor blijven kiezen om wél drugs te gebruiken. Met oogkleppen op grijpt men terug op de tergende war on drugs-retoriek. Bart de Koning omschreef het bij De Correspondent treffend: ‘De war on drugs is een oorlog waarin nederlagen al een halve eeuw als overwinningen worden verkocht.’ Hij doelde op het feit dat door opsporingsdiensten jaar na jaar recordvangsten worden gevierd. Als dit iets bewijst dan is het wel dat de handel professioneler wordt en in omvang toeneemt.
De krankzinnigheid van het Nederlandse beleid komt het best tot uitdrukking bij cannabis. Terwijl miljoenen verloren gaan aan de opsporing van hennepplantages, pompen uitbaters van coffeeshops hun omzet noodgedwongen terug in het illegale circuit. Zij doen hun inkoop immers bij ‘criminelen’. Recreatieve gebruikers geven hun geld vervolgens weer uit in de coffeeshop – en de cyclus begint opnieuw.
Er is geen enkel rationeel argument te bedenken voor dit systeem. We laten de kaars aan twee kanten branden. De Nederlandse schatkist loopt miljoenen mis én de overheid geeft miljoenen uit aan tandeloze opsporing. Wat ik hier schrijf, is alom bekend maar een gevoel voor urgentie ontbreekt. Dat maakt de situatie steeds moeilijker. Iedere grote ongereguleerde bedrijfstak wordt uiteindelijk onbeheersbaar. Dat geldt niet alleen voor cannabis, maar ook voor harddrugs. Pas zodra het marktaandeel van de illegale handelaars krimpt, doordat de recreatieve gebruiker zich kan wenden tot volledig legale coffee- en smartshops, wordt het effect van opsporing en vervolging hoopgevend.
Eng
Gevoelsmatig is legalisering eng – en het vraagstuk is uitermate complex – maar het alternatief is bekend. De georganiseerde drugshandel zal blijven floreren. De vraag blijft. Er is sprake van een kunstmatig hoge prijs en de handel is niet onderhevig aan fiscale verplichtingen, concurrentieregels en kwaliteitscontroles. Een perfect verdienmodel zou je kunnen zeggen. De ogenschijnlijke angst om te praten over legalisering en regulering houdt het model in stand en staat noodzakelijke vooruitgang in de weg.
Voorlopig blijft het bij experimenten waaraan geen beleidsmaker zich hoeft te branden. ‘Het experiment gesloten coffeeshopketen moet duidelijk maken of legale levering, inkoop en verkoop van cannabis mogelijk is’, zo vermeldt de website van de rijksoverheid weinig hoopgevend. De evaluatie van het experiment zal er naar verwachting niet zijn voor februari 2025.
We worden geremd door een voorspelbaar christelijk dogma: drugs zijn slecht, we moeten de gebruiker aanspreken op zijn gedrag. Het zijn de bekende vermanende woorden. Zo besteden we ieder jaar opnieuw een miljardenbedrag aan een kruistocht die, zo vrees ik, tot in het oneindige zal doorgaan.
De neveneffecten van dit beleid, in bredere context, worden onderschat. De voelbare onmacht van de drugsbestrijding duwt Veiligheid en Justitie in een vicieuze vergeldingsspiraal. Anders gezegd: meer spierballentaal leidt tot verdere verharding. Die vergeldingsspiraal werkt door in de rest van de strafrechtketen. Deze tendens gaat uiteindelijk ten koste van de menselijke maat.
Wijkagent
De afgekalfde rol van de wijkagent is hier een goed voorbeeld van. In wijken waar de politie een slechte informatiepositie heeft, is preventie een gepasseerd station. In mijn advocatenpraktijk is het gevoel van machteloosheid over het gebrek aan dienstbaarheid van de politie niet alleen zichtbaar bij slachtoffers en verdachten, maar ook bij ouders van jeugdige verdachten en politieambtenaren zelf.
Mede doordat de helft van onze opsporingscapaciteit wordt besteed aan drugsbestrijding, blijven onderzoeken naar zedendelicten op de plank liggen. Aangiftes van oplichting, bedreiging en belaging blijven noodgedwongen geheel onbeantwoord. In de zaken die wel worden opgepakt, is opsporing steeds meer gericht op quick wins. Nieuwe opsporingsmiddelen, die hun oorsprong vinden in de drugsbestrijding, worden tegenwoordig zonder blikken of blozen toegepast in verkeerszaken. Verdachten worden afgeluisterd in de bezoekersruimte wanneer familie op bezoek komt. Familieleden worden vervolgens twee weken getapt, om te bezien of de bestuurder misschien onder invloed verkeerde. Taakstraffen worden ingeruild voor gevangenisstraf, want vergelding gaat boven preventie. Vergelding is snelle bevrediging. Het voedt de onderbuik, maar draagt niet bij aan de veiligheid van burgers.
Een vergelijking met Amerika is interessant. De afgelopen decennia was het antwoord van de politiek in de VS steevast: strenger straffen. Er is nu een kentering zichtbaar in de richting van een minder repressief systeem.
De Amerikanen hebben ook lessen getrokken uit de drooglegging (het verbod op alcohol tussen 1920 en 1933). Aanvankelijk waren er hoge verwachtingen over de afname van criminaliteit en een toenemende welvaart. Al snel werd duidelijk dat de handel en productie van alcohol in de roaring twenties een grote opmars maakte in de illegaliteit. De georganiseerde misdaad bloeide op door de onverminderde vraag en illegale transporten vonden op grote schaal plaats. De inkomsten van de georganiseerde misdaad naderde het bedrag dat aan bestrijding kon worden besteed. In 1933 namen de Amerikanen hun verlies en de drooglegging werd herzien. De parallel is wat mij betreft glashelder.
Zinloze strijd
Wat de drooglegging vooral illustreert is dat het onmogelijk is mensen een moraal op te leggen. De drooglegging gaf de Amerikanen het inzicht dat het zinloos was om te strijden tegen drankgebruik. In sommige Staten komen ze nu tot eenzelfde inzicht als het gaat om drugs. De staten Colorado, Washington en Alaska hebben cannabis inmiddels gelegaliseerd. Oregon heeft korte metten gemaakt met de strafbaarstelling van gebruikershoeveelheden harddrugs. Allemaal stappen die ruimte kunnen geven aan zinvolle voorlichting, gerichte opsporing en investeringen in de gezondheidszorg.
In Europa bewijst Portugal dat het mogelijk is binnen de EU drugsbeleid door te voeren dat is gericht op het verbeteren van de volksgezondheid. Het land hanteert al jaren een gedoogbeleid dat verder gaat dan de voordeur. Beleidsmakers waken voor stigmatisering van de gebruiker, hulpverleners zetten zich in voor een gezondere bevolking. De Portugezen kijken nu naar volgende stap: het reguleren van de markt. In Nederland zullen we eerst de oogkleppen moeten afwerpen.
Bron: Volkskrant, Opinie
Gepubliceerd op 8-2-2021