Policing the police

De dood van George Floyd in Minneapolis heeft geleid tot een wereldwijde golf van protest. Via megafoons en spandoeken werd institutioneel racisme ook in Nederland aan de orde gesteld en Premier Rutte sprak zich duidelijk uit: “Racisme is niet voorbehouden aan de Verenigde Staten. Ook Nederland heeft een systematisch probleem met racisme (…)”

Betogers gaan massaal de straat op na de dood van George Floyd. Beeld Thomas de Luze - Unsplash

Het voorgaande lijkt een bredere trend te hebben aangewakkerd. Verschillende groepen met uiteenlopende agenda’s kwamen de afgelopen weken samen in de openbare ruimte om zich af te reageren. Helaas sprak Rutte nog niet duidelijk zijn steun uit voor de Nederlandse politieorganisatie, die de lastige taak krijgt om al dit geweld in goede banen te leiden. Naar het voorbeeld van de Verenigde Staten wordt de politie tijdens sommige demonstraties het mikpunt van haat. Deze haat wordt gevoed met videofragmenten die zorgen voor een misleidend en beschadigend beeld.

In dit artikel bespreek ik het wetsvoorstel ‘Geweldsaanwending Opsporingsambtenaar 34.641’ dat nu ter beoordeling ligt bij de Eerste Kamer. Het voorstel kon in de Tweede Kamer op brede steun rekenen (alleen DENK stemde tegen). De behandeling komt op een interessant moment nu politieoptreden misschien wel meer dan ooit de aandacht heeft. De verhitte maatschappelijke discussie is ook van invloed op de interpretatie van het voorstel. De parallel met de Verenigde Staten is door tegenstanders snel getrokken. Echter, zoals ik in dit artikel zal illustreren, zijn er grote verschillen als het gaat om de toepassing politiegeweld in Nederland en de wijze waarop tegen excessen kan worden opgetreden (waarmee overigens niet is gezegd iedereen in ons land altijd op dezelfde behandeling kan rekenen).

Wat wordt er door de indieners van het wetsvoorstel beoogd? De gedachte is dat het wetsvoorstel het strafrecht, kort gezegd, beter laat aansluiten op de politiepraktijk. Het voorstel introduceert namelijk een nieuwe strafbaarstelling die betrekking heeft op schendingen van de geweldsinstructies zoals neergelegd in de ‘Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren’. Tevens voorziet het voorstel in de mogelijkheid om dit geweldsgebruik te onderzoeken zonder een opsporingsambtenaar direct als verdachte van een strafbaar feit aan te merken.

In de bovengenoemde Ambtsinstructie wordt niet alleen vuurwapen gebruik genormeerd, maar bijvoorbeeld ook de vraag of pepperspray mag worden ingezet tijdens een escalerende demonstratie. Dat is een professionele afweging die vaak in een split second wordt gemaakt (terwijl omstanders de situatie filmen). De keuze voor de inzet van een bepaald geweldsmiddel kan uiteindelijk leiden tot letsel bij demonstranten; veelal wanneer zij geen gehoor geven aan oproepen om zich te distantiëren. Dat laatste is overigens vaak niet terug te zien op videofragmenten.

Bij geweldsconfrontaties met ernstig letsel of dood tot gevolg wordt een onderzoek gestart onder verantwoordelijkheid van de Rijksrecherche. Na afronding van het onderzoek beslist een officier van justitie over de rechtmatigheid van het geweld en de vraag of de betrokken politieambtenaar strafrechtelijk moet worden vervolgd.

Vanuit het perspectief van individuele politieambtenaren wordt strafrechtelijke vervolging vaak als heel wrang ervaren. Immers, dezelfde volwassen mannen die op de vuist gaan met de politie vragen om hard en effectief ingrijpen als de stenen door hun eigen straten vliegen. Het wrange gevoel aan de zijde van de politie verwoordde korpschef Henk van Essen treffend: “Wat we ook doen, altijd is er wel iemand die vindt dat het anders had gemoeten. We treden te soft op. Of juist te hard. Een oordeel over ons optreden is snel geveld (…).”

Kookt u inmiddels van woede? Lees dan eerst de volgende alinea.

Excessief geweldsgebruik door de politie komt overal voor en dus ook in Nederland. Daar moet effectief tegen kunnen worden opgetreden. Dit wordt, volgens de indieners van dit voorstel, bemoeilijkt door het feit dat de algemene strafbaarstelling van bijvoorbeeld mishandeling vaak niet de juiste kwalificatie is voor politieoptreden. Denk aan een wijkagent die een chaotische situatie van uitgaansgeweld besluit een wapenstok te gebruiken en daarbij zwaar letsel veroorzaakt. Als sprake is van een professionele inschattingsfout dan leent de ‘strafrechtelijke meetlat’ zich niet voor de beoordeling van dit handelen. Mede hierom heeft Openbaar Ministerie een terughoudend vervolgingsbeleid. Daar komt mogelijk verandering in.

Deze wetswijziging maakt het mogelijk om in strafrechtelijke context te beoordelen of al dan niet sprake is van ‘het niet overeenkomstig de ambtsinstructie toepassen van geweld’. Het Openbaar Ministerie krijgt hierdoor extra keuzemogelijkheden. Niet alleen mishandeling of doodslag, maar ook een schending van de geweldsinstructie met letsel tot gevolg is straks strafbaar.

Minister Grapperhaus overwoog tijdens de behandeling in de Kamer: “In die gevallen waarin de betrokken ambtenaar welbewust de geweldsinstructie heeft geschonden, zal tenlastelegging van een algemeen geweldsdelict overigens meer voor de hand liggen”. Met andere woorden: zélfs als niet welbewust is gehandeld, kan een politieambtenaar worden bestraft. Daarvan is mogelijk sprake bij een schending van de geweldsinstructie die, gelet op alle feiten en omstandigheden, gewoonweg aan de schuld van de politieambtenaar te wijten is.

De nieuwe bepaling maakt het dus mogelijk om ook professionele inschattingsfouten te bestraffen, zonder deze gedragingen als mishandeling te kwalificeren; het wrange element. Een mogelijk positieve wending is dat de bestraffing van misstanden proportioneel kan gebeuren. De keerzijde is dat het strafrecht op de voorgrond komt te staan en er weinig ruimte (meer) lijkt voor een minder ingrijpende beoordeling via het tuchtrecht.

Hoe anders is de Amerikaanse systematiek?

De Amerikaanse criteria geven heel veel ruimte voor intuïtief handelen en daar blinken Amerikaanse politieambtenaren nou juist niet in uit. Afgaande op de cijfers van de organisatie ‘Mapping Police Violence’ stierven in Amerika vorig jaar 1098 personen door politiegeweld; een vergelijkbaar aantal met de jaren ervoor. Aangemoedigd door Trump en gesteund door conservatieve vakbonden, blijft de politiemacht de straten domineren.

Op grond van de geldende wettelijke geweldsinstructie hebben politieambtenaren in de VS de mogelijkheid om deadly force toe te passen wanneer zij, vertaald en samengevat, een redelijk vermoeden hebben dat een verdachte een bedreiging vormt en er daarmee een direct risico op ernstig lichamelijk letsel of het intreden van de dood bestaat. Het gebruik van de term deadly force is al opmerkelijk; het lijkt een ‘alles of niets criterium’ dat weinig ruimte laat voor proportioneel geweld.

De Nederlandse geweldsinstructie is fijnmaziger, maar het belangrijkste verschil is gelegen in de rechtspraak. Als het gaat om de beoordeling van de toepassing van deadly force in de praktijk, ligt de nadruk in de VS op het subjectieve redelijke vermoeden van de betrokken politieambtenaar. De persoonlijke beleving weegt ook in de Amerikaanse rechtbanken zwaar. Philip Stinson (Police Integrity Research Group) overwoog in dit verband:

An officer gets on the stand and says: ‘I feared for my life,’ and that’s usually all she wrote. No conviction, more often than that, no charges at all.”

Waarom is dit subjectieve vermoeden zo doorslaggevend? Voor een succesvolle aansprakelijkstelling via het strafrecht moet in de VS worden vastgesteld dat door een politieambtenaar met evil intent is gehandeld, oftewel: kwaadwillig. De drempel van evil intent is de redding voor politieambtenaren in veel strafzaken. Doorgeschoten geweldsgebruik kan zo vaak worden afgedaan als aanmerkelijk onvoorzichtig, maar niet als evil, en daarmee is het gedrag niet snel strafrechtelijk verwijtbaar. Hierin komt mogelijk verandering na de implementatie van wetswijzigingen in de nabije toekomst.

In Nederland is de heersende gedachte dat politieoptreden controleerbaar moet zijn en tot de orde geroepen moet kunnen worden. Dit is binnen het huidige wettelijke stelsel ook mogelijk. Dit voorstel is een verruiming van die mogelijkheden (met enkele waarborgen). Het is daarom niet ondenkbaar dat het aantal strafzaken zal toenemen. Hierbij speelt een rol dat dezelfde mondige burger die de confrontatie zoekt met de politie, tegenwoordig vaker aangifte doet als er geweld tegen hem is gebruikt. Tegen een beslissing om niet te vervolgen kan de aangever beklag instellen bij het Gerechtshof. Het aantal beklagzaken neemt de laatste jaren ook sterk toe. Dit alles lijken tegenstanders van het voorstel niet te signaleren.

Concluderend heeft deze wijziging van het Wetboek van Strafrecht enkele positieve elementen, maar blijft de toepassing van het strafrecht voor de beoordeling van politieoptreden een lastig spanningsveld. Geweldsgebruik is inherent aan de politietaak. Ingrijpen is voor de politie geen keuze, maar een verplichting in het belang van de maatschappelijke veiligheid. Wanneer politieoptreden steeds vaker via het strafrecht moet worden beoordeeld zal dit, zo vermoed ik, afbreuk doen aan de effectiviteit van dat optreden. Het uitgangspunt van terughoudendheid van het Openbaar Ministerie bij de vervolging van politieambtenaren blijft daarom essentieel.

Vorige
Vorige

Verdachte Rotterdammer (27) van dodelijke straatrace betuigt spijt

Volgende
Volgende

Rechtszaak drugssmokkel Teuge aangehouden om psoriasis; '800.000 schilfers per dag'